Groot Gelijk

 

Het is februari 1997 en de tweede week van onze reis door India. Langzamerhand raken we een beetje gewend aan de drukte, de geuren en de heilige koeien en bavianen in de straten. Onze gids heeft ons net afgezet bij het treinstation van Udaipur voor de nachtreis naar Varanasi. We blijken niet de enigen met dit reisplan. Met onze uitpuilende rugzakken banen we ons een weg door, over en tussen de andere reizigers. Er zijn een paar toeristen zoals wij, maar vooral heel veel Indiërs met tassen met pluimvee, rijstbalen en enorme kartonnen dozen met kleuren Tv’s en computerapparatuur. Men zit, hangt, ligt en praat of slaapt. De vloer van het station is bijna nergens te zien, overal zijn en liggen mensen. We proberen te ontdekken naar welk perron we moeten lopen, wanneer plotseling het licht uitvalt. Pikkedonker. Niemand kijkt hier van op of om want dit gebeurt dagelijks meerdere keren. Maar als je toch al niet weet waar je naar toe moet en je zelfs met verlichting aan al je best moet doen om niet boven op mensen te trappen, is dit toch erg onhandig. Uiteindelijk komen we op het goede perron aan en vinden we zelfs een bankje met zitplaats. Ik zit net wanneer ik voel dat ik moet plassen. Links zie ik een deur met daarop een toiletsymbool. Ik open de deur, staar in een donker gat en zie verder niets. Maar ruik alles. Vergeleken met deze lucht is het gemiddelde Franse toilet een Douglas winkel. Ik ben bij nader inzien enorm blij dat ik niets zie en mijn aandrang is weg. Pis nog liever in mijn broek dan hier.

 

Ik moet hier aan terugdenken wanneer ik met Jansen, onze Ridgeback, in Dordrecht naar een groenstrookje loop. Ik heb haast en wil dat ze gaat plassen en/of poepen want we hebben een lange reis terug naar huis voor de boeg. Tot mijn grote ergernis blokkeert ze en weigert ze pertinent het gras op te gaan. Ik raak geïrriteerd en roep haar toe dat ze zich niet aan moeten stellen. Het maakt niet uit, ze staat stokstijf aan de rand van het veldje en is niet in beweging te krijgen. Dan kijk ik naar het gras. Nou ja gras, tussen alle bruine drollen in alle soorten en maten is er hier en daar nog een stoer graspietje dat omhoog durft te komen. Wat een smerigheid en wat een bron van parasieten en andere ziektekiemen. Ik kijk naar Jansen en zeg ‘kom we gaan wel ergens anders heen’. Want ze heeft gelijk, groot gelijk.